Kustlijnzorg

Er is een duidelijke relatie tussen Natuurlijk Veilig en het programma Kustlijnzorg. Natuurlijk Veilig onderzoekt de effecten van suppleties op de natuur, met als doel deze in de toekomst te beperken. Kustlijnzorg is het programma dat de zandsuppleties plant en uitvoert. Dat gebeurt op basis van jaarlijkse kustmetingen. Hier vind je de actuele planning.

Suppletie vanuit zee

Suppletie vanuit zee

Zandsuppleties kunnen op verschillende manieren worden aangepast. Op de eerste plaats bepaalt de toestand van de kust de suppletie. Soms zijn specifieke kustfuncties van belang. Een recreatiestrand wordt bij voorkeur niet in de zomervakantie gesuppleerd. Maar daarnaast kunnen aanpassingen gedaan worden voor de natuur.

Rekening houden met flora en fauna

Bij het suppleren houdt Rijkwaterstaat rekening met onder andere broedvogels, wintergasten en zeehondenjongen. Rijkswaterstaat ontziet gevoelige periodes zoals het broed- of het vogeltrekseizoen. Ook de aanwezigheid van schelpenbanken wordt onderzocht. Voor iedere suppletie in een N2000 gebied worden dit soort gegevens op een rij gezet. Met meer kennis kunnen we bijvoorbeeld ook beter rekening houden met jonge vis, trekvis en de effecten die suppleties op deze soorten hebben.
 

De ontwerpcriteria die een rol kunnen spelen

• Seizoen waarin gesuppleerd wordt;
• aanleghoogte van een strandsuppletie;
• suppleren op het strand of op de vooroever;
• korrelgrootte van het gesuppleerde zand;
• suppletietechniek (rainbowen, klappen, persen);
• vaarroute van het wingebed naar het suppletiegebied;
• volume (100.000 m3 – een zandmotor van 20 miljoen m3) hoe kleiner de suppletie hoe vaker je terug moet komen;
• suppletiefrequentie (hoe langer je niet wilt suppleren, hoe groter de suppletie moet zijn).

Effecten over de langere termijn zijn onduidelijk

De indirecte effecten van suppleties op de langere termijn zijn minder goed bekend. Daarmee bedoelen we de effecten in de wadden of de duinen. Door Natuurlijk Veilig begrijpen we het kustsysteem beter. En daarmee kunnen we ook beter inschatten wat de effecten van suppleties kunnen zijn. Als we dat weer kunnen vertalen naar `knoppen’ zoals hierboven, dan kunnen we het omzetten naar ontwerprichtlijnen en de suppleties nog verder verbeteren. Het is onzeker hoe veel progressie we op dit vlak maken, binnen de beperkte tijd die er is voor het project. Vooral het effect op (jonge) vis blijkt moeilijk te duiden. Maar we leggen in ieder geval een goede basis waar op anderen verder kunnen bouwen. We houden wel voortdurend het doel voor ogen: onderzoek moet (uiteindelijk) toepasbaar zijn in de suppletiepraktijk.