Vooroever

Hoe beïnvloedt suppletie de ecologische functie van de ondiepe kustzone (kinderkamerfunctie voor vis)? Welke kenmerken zijn daarbij van belang en hangen die samen met (iedere 5 jaar terugkerende) suppleties? Onderzoekers analyseren de kenmerken van dit veelal nog onbekende habitat en bekijken welke dieren in de bodem en het water leven. Ook gebruiken we data vanaf de jaren 90. Met al deze gegevens – die worden gepubliceerd op de website van het Informatiehuis Marien – proberen  we de veranderingen door zandsuppleties in kaart te brengen. De beide meetcampagnes in combinatie met de al aanwezige data moeten inzicht geven in de samenhang van het geheel. Dit vraagt om slimme analyses en kritisch vermogen om na te gaan of de conclusies valide zijn.

Suppleties in de vooroever - Habitatmodel

(Kleine golven rollen een strand op waar een man komt aanlopen. Voice-over:)

RUSTIGE MUZIEK

VOICE-OVER: Peter Herman is senior onderzoeker bij Deltares.
Vertel eens, Peter, wat zien we hier achter jou?
PETER HERMAN: We zien hier de branding.
We kijken op het gebied, op de vooroever.
Dat is het gebied tussen het strand en het diepere water van de Noordzee.
In de vooroever liggen banken, brekerbanken worden die genoemd,
die ook langzaam bewegen.
In het ondiepe leven er minder, een beperkt aantal soorten,
en als je dieper gaat, en vooral in die zones tussen die banken,
dan wordt de fauna rijker, er komen meer soorten bij.
VOICE-OVER: Waarom leven er minder dieren in het ondiepe?
HERMAN: Je hebt de zone waar de golven breken,
waar het heel onstuimig is, waar het zand voortdurend in beweging is
en alleen de dieren die echt aangepast zijn
aan dat soort onstuimige omstandigheden, kunnen daar overleven.
VOICE-OVER: En wat voor dieren voelen zich daar dan wel thuis?
Daar zijn bijvoorbeeld kleine kreeftachtigen die heel goed kunnen zwemmen
en daardoor kunnen ontsnappen als de verstoring van het zand te groot is.
Van deze vinden we er heel veel heel ondiep in de vooroever.
Maar er zijn ook bepaalde borstelwormen die daar leven
en die ook heel typisch zijn voor die brandingszone.
Dit is de Amerikaanse zwaardschede, dat is een invasieve soort.
Die is zeer dominant, op veel plekken in onze monsters
is tachtig procent van de hoeveelheid materialen die we vinden,
die Amerikaanse zwaardschede.
VOICE-OVER: En wat hebben jij en je team precies onderzocht?
HERMAN: Het onderzoek dat wij doen,
is gericht op het effect van vooroeversuppleties op de fauna.
Vooroeversuppleties, in tegenstelling tot strandsuppleties,
brengen het zand niet rechtstreeks naar het strand,
maar dumpen het zand op ongeveer zes meter diepte,
meestal tussen twee brekerbanken in.
Wat wij ons afvragen, is: wat doet zo'n verstoring van de habitat
met de bodemdieren die daar leven?
De directe effecten zijn dat je de fauna bedelft, en wat daar leeft, gaat dood,
omdat er te veel zand in één keer boven op hen komt en dat kunnen ze niet overleven.
We weten dat het dan één à twee jaar duurt meestal voor de fauna om terug te komen.
De snel zwemmende soorten komen snel terug.
De andere komen meestal als larven terug. Die larven moeten zich vestigen
en dat duurt een zekere tijd voor die zich ontwikkelen.
De fauna herstelt zich dus op een termijn van enkele jaren.
Maar wat we ook onderzoeken, is: heeft het effecten op de langere termijn?
Omdat we natuurlijk op de plekken waar gesuppleerd wordt,
komen we regelmatig terug, dus we bedelven telkens opnieuw.
En dan denken we vooral aan veranderingen in de korrelgrootte van het zand.
Als je nu zand van elders neemt en dat is veel grover dan het zand dat er ligt,
en je gebruikt dat voor de suppletie,
dan kan het zijn dat je na verloop van tijd het daar aanwezige zand grover maakt
en dat zou een effect kunnen hebben op de samenstelling van de gemeenschap.
VOICE-OVER: Interessant, zeg! Maar hoe onderzoek je dat dan?
HERMAN: Daar hebben we fysische modellen gebruikt om te berekenen
wat de invloed is van de golven en de stroming
op de samenstelling van het sediment,
waar verwachten we grof zand, waar verwachten we fijn zand?
En veranderen we dat met de suppletie?
VOICE-OVER: Kun je al iets vertellen over het resultaat op de vooroever?
HERMAN: Wat we zien,
is dat vooral in de overgang tussen fijn zand en iets grover zand,
dat daar de soorten zich snel aanpassen aan het type zand dat je hebt.
Dus er is een grote invloed van de korrelgrootte van het sediment.
Wat we daar zien, is dat een relatief kleine verschuiving
in de korrelgrootte van het zand toch best wel een aanzienlijke verschuiving
in de bodemdiergemeenschap kan veroorzaken.
We weten nu ongeveer waar we moeten kijken.
Het zit ergens in het midden van de vooroever.
En wat we nu nog verder uitzoeken, is of inderdaad door herhaaldelijk te suppleren,
je die veranderingen in korrelgrootte kunt veroorzaken,
die echt van belang zijn voor de fauna.
VOICE-OVER: Betekent dat dat dieren uit de vooroever verdwijnen?
HERMAN: Nee, dat betekent niet dat er dieren uit de vooroever gaan verdwijnen,
maar het betekent wel dat er een kans is
dat je een andere samenstelling van de fauna hebt.
En die andere samenstelling van de fauna is relevant,
omdat de vooroever een functie heeft als kraamkamer voor jonge vis
en die jonge vis leeft van de dieren die in de bodem leven.
Dus als je de samenstelling van de bodemfauna verandert,
dan kan dat ook implicaties hebben voor de functie die de vooroever heeft
als kraamkamer voor die jonge vis.
VOICE-OVER: Moeten we dan stoppen met suppleren?
HERMAN: We suppleren voor goede redenen natuurlijk.
Er is een groot belang bij het handhaven van de kust,
en zeker met de verwachte zeespiegelstijging.
Maar we kunnen proberen om zo zorgvuldig mogelijk met die suppleties om te gaan.
Dus niet suppleren waar het niet nodig is.
Maar ook als het wel nodig is, om dan te proberen zand te selecteren
dat zo dicht mogelijk komt qua samenstelling bij het zand dat er al is.

(Het beeld wordt groen met wit. Beeldtekst: Meer informatie? Kijk op natuurlijkveilig.nl.)

VREDIGE MUZIEK DIE WEGEBT

(Naast de tekst staan de logo's van: Rijkswaterstaat, ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Staatsbosbeheer, Duinbehoud, LandschappenNL, Natuurmonumenten, PWN, Waternet, waterschap Amstel, Gooi en Vecht, gemeente Amsterdam, Dunea, Duin & Water, Stichting De Noordzee, Vogelbescherming Nederland en Waddenvereniging.)

(Beeldtekst: Een productie van Rijkswaterstaat. Copyright 2020.)

Hoe beïnvloedt suppletie de ecologische functie van de ondiepe kustzone (kinderkamerfunctie voor vis)?

Suppleties in de vooroever - Kinderkamer functie

(Kleine golven rollen een strand op waar een man komt aanlopen. Voice-over:)

RUSTIGE MUZIEK

VOICE-OVER: Dit is onderzoeker Ralf van Hal
van Wageningen Marine Research.
Wat kan jij ons vertellen over het onderwaterleven?
RALF VAN HAL: Ik kan vooral iets vertellen over vis,
en dan met name: platvis, schol, schar, tarbot, griet.
Die de ondiepe kustzone gebruiken om op te groeien
en als juveniele vis hier aankomen.
VOICE-OVER: De kustzone is dus eigenlijk een soort crèche voor vis?
VAN HAL: Ja, het meeste wat we hier in het ondiepe stukje vangen,
is een paar weken tot maanden oud.
Veel van de soorten die je hier dus vangt, en specifiek zo'n ondiep gebied kiezen,
doen dat waarschijnlijk vanwege de combinatie temperatuur,
een stukje warmer in het voorjaar en zeker in de zomer dan ondieper
en als beschutting tegen juist grote vissen als predatoren.
VOICE-OVER: Maar wat heeft dat dan met zandsuppleties te maken?
VAN HAL: De zandsuppleties worden uitgevoerd in het stukje waar we vissen,
dus worden in het stukje strand of net iets dieper in de vooroever neergelegd.
Dus dat is het gebied waar die visjes opgroeien.
De suppletie leg je in een grote bak zand neer,
wat misschien anders is dan het zand dat er al ligt.
En op die manier kan het de habitat van de vis veranderen.
Het belangrijkste waar we dan op gericht hebben,
is de verandering in sediment, dus de korrelgrootte,
is het echt iets anders dan wat er neergelegd wordt?
En kunnen ze zich nog steeds ingraven?

(Op het strand bevestigen twee mannen een sleepnet aan een buis.)

Zij gaan nu vissen in de brandingszone, dat is het ondiepste deel.
Ze trekken het vistuig, de boomkor, over ongeveer honderd meter,
en dan bekijken we de vangst om in te schatten
welke vissoorten er in het ondiepste deel van de vooroever aanwezig zijn.
Dat hebben we nu twee jaar gedaan
en dat gaan we dit jaar ook weer doen, over het seizoen heen,
de seizoensvariatie in de aanwezigheid van soorten
en de opgroei van die juveniele visjes
totdat ze weer naar buiten trekken en we ze hier dus niet meer vangen.
Daarnaast hebben we in de eerste twee jaar van Natuurlijk Veilig gevist met een schip,
vanaf dat schip met een rubberboot de brandingszone bemonsterd
en vanaf dat schip ook de diepere zone bevist.
En dat allemaal van Rotterdam tot aan Texel en zelfs de Waddeneilanden.
VOICE-OVER: Zijn er op basis van de resultaten al conclusies te trekken?
VAN HAL: De conclusies zijn lastig.
Er zit heel veel variatie in de vangsten die we hebben.
Een groot deel daarvan is natuurlijke variatie, gewoon de aanwezigheid van vis,
zijn de larven hier aangekomen of zijn ze net een stukje verder aangekomen?
Ook het gedrag, is het warm geweest, dan vangen we even niks.
Of is het heel helder, dan vang je een heel stuk minder.
Wat we dan wel zien, is de diepteverspreiding van de vis.
Zoals we net al zeiden: De allerkleinste komen echt in het ondiepste voor
en die trekken langzaam weer naar het diepe water toe.
Een soort als schol, waar we de focus op hebben gelegd,
die blijkt ook als juveniel wel in het ondiepste,
maar ook tot op een meter of tien diep gewoon voor te komen, algemeen.
Dus dat betekent dat er gewoon een heel groot gebied geschikt is voor deze soort
en als je op kleine schaal suppleties daarin uitvoert,
dat de populatie-effecten minimaal zullen zijn.
Waar we ook naar hebben gekeken,
is de resultaten dan te vergelijken met historische data.
Vanuit de jaren tachtig hebben ze ongeveer hetzelfde gedaan als wat wij nu doen,
en dan zien we eigenlijk wel heel andere soorten.
Een aantal harders, zeebaarzen, die we nu vangen,
kwamen heel weinig voor in de vangsten in de jaren tachtig.
En we zien ook wel dat er toch wel verschil zit
in de duur dat bijvoorbeeld schol en wat andere platvisjes
in de vangsten voorkwamen in de jaren tachtig.
Nu gaan ze eerder naar buiten,
waarschijnlijk vanwege de warmere temperaturen in de zomer.
Daarnaast hebben we voor schol ook nog gemodelleerd naar de toekomst toe
en hebben we laten zien dat de Waddenzee als eerste,
maar een paar jaar later waarschijnlijk ook de kustzone, steeds slechter wordt
qua temperatuur voor het opgroeien van die platvisjes.
Het wordt te snel warm voor die platvisjes
om langdurig in die ondiepe zone te kunnen opgroeien.
Waarmee het belang van eerst de Waddenzee
en daarna waarschijnlijk de kustzone steeds minder wordt
voor de functie als kraamkamer.
VOICE-OVER: En de invloed van sediment?
VAN HAL: Sediment is dus vooral het ingraven,
waar we het net over hadden, vinden ze het nog steeds geschikt?
Maar wat ik al zei, langs heel de kustzone vinden we op alle soorten ondergrond
die we hebben bemonsterd, en de range is niet zo heel groot,
de soorten die we ook verwachten.
Het doel van het beleid is om sediment neer te leggen
dat zo dicht bij het sediment ligt dat er al is.
Dus dat zal niet tot hele grote veranderingen in de korrelgrootte leiden.
VOICE-OVER: Zandsuppleties hebben dus invloed op de kinderkamerfunctie.
Hoe gaan we hiermee om?
VAN HAL: Lastig, we zullen moeten blijven suppleren.
Want we willen de kustlijn behouden zoals die er nu is.
De locatie van de suppletie, is het misschien beter wat dieper te suppleren?
Er wordt gekeken naar hoe dat de suppletie neergelegd wordt.
Bij de zandmotor is er geprobeerd een lagune te creëren
waarin vis het misschien beter zou kunnen doen.
Je kunt ook kijken naar de diepte van het hele profiel
en hoe zou je daar verandering in aan kunnen brengen,
dat het misschien niet zo steil wordt als de verwachting is,
wat de zone die geschikt is voor kleine vissen, kleiner zal maken.

(Het beeld wordt groen met wit. Beeldtekst: Meer informatie? Kijk op natuurlijkveilig.nl.)

DE RUSTIGE MUZIEK SPEELT VERDER TOT HET EIND VAN DE VIDEO

(Naast de tekst staan de logo's van: Rijkswaterstaat, ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Staatsbosbeheer, Duinbehoud, LandschappenNL, Natuurmonumenten, PWN, Waternet, waterschap Amstel, Gooi en Vecht, gemeente Amsterdam, Dunea, Duin & Water, Stichting De Noordzee, Vogelbescherming Nederland en Waddenvereniging.)

(Beeldtekst: Een productie van Rijkswaterstaat. Copyright 2020.)

De eindrapportage van dit onderzoek verschijnt medio 2021. Vooroeversuppleties zijn meestal ongeveer even groot als de aanwezige brekerbanken. Ze worden geplaatst zeewaarts van de buitenste brekerbank. Bekijk de voorlaatste update over de vooroever-onderzoeken hier.