Meer inzicht in de vooroever

Om inzicht te krijgen in de ecologie van de vooroever, deed Wageningen Marine Research in opdracht van Natuurlijk Veilig 4 jaar lang onderzoek. Dit jaar voor de laatste keer. Welke vis leeft er in de vooroever, welk deel van de populatie is dat en waarom zitten ze daar? Dit onderzoek is nodig om te kunnen bepalen of zandsuppleties de factoren veranderen die bepalen waarom vis juist daar leeft. Ralf van Hal, onderzoeker bij Wageningen Marine Research, vertelt ons over de bevindingen van dit jaar.

Strandbemonstering 2020
©Wageningen Marine Research

‘We proberen een beeld te krijgen van de omgevingsvariabelen van de vooroever’, legt Ralf uit. ‘Dat is het gebied van het strand tot zo’n 10 meter diepte. Welke vis vind je op de verschillende locaties en waarom? Wat zijn  de relaties tussen  bodemsamenstelling en vis, watertemperatuur en vis of zoutgehalte en vis? Hoe meer data we verzamelen, hoe duidelijker de relaties worden tussen alle variabelen en de vis die we vangen.’ Alle variabelen verklaren mogelijk waarom bepaalde vis ergens aanwezig is. Dat maakt het vervolgens mogelijk om te bepalen of die redenen worden beïnvloed door een zandsuppletie.

Kraamkamer van de Noordzee

Er wordt vaak gezegd dat de vooroever de kraamkamer is van de Noordzee. Je ziet er vooral jonge vis die daar opgroeit en later naar dieper water trekt. De vraag is welk deel van de populatie opgroeit aan het strand waar we willen suppleren. Als dat slechts een klein deel van de populatie is, hoe relevant is het dan als suppleties daar effect op hebben?

De impact van suppleties

Ralf: ‘We moeten naar verwachting op grote schaal suppleren. Maar we weten nog niet of dat impact heeft op de dieren die in de vooroever leven. Daarom proberen we te vinden waar bepaalde vis precies zit en waarom, zodat we dat aan suppleties kunnen linken.’

Belangrijkste variabele is sedimentsamenstelling

De verwachting is dat suppleties met name de sedimentsamenstelling aanpassen. Er wordt ten slotte zand van ergens anders vandaan gehaald. ‘De sedimentsamenstelling is de belangrijkste variabele in ons onderzoek,’ vertelt Ralf. ‘Maar andere verschillen, zoals in temperatuur, zoutgehalte en doorzicht kunnen ook effect hebben op de aanwezigheid en vangbaarheid van vis. Uitsluitend kijken naar de relatie vis-sediment is te beperkt om waargenomen verschillen in visvangsten te verklaren.’

Goed weer voor bemonstering

Bij de start van het onderzoek in 2016 waren de weersomstandigheden goed, net als dit jaar. De jaren daartussen was het minder weer. Omdat het weer veel invloed heeft op de bemonstering, is het moeilijker om conclusies uit het onderzoek te trekken. ‘Met slecht weer is het moeilijk bemonsteren omdat rubberboten slecht tegen hoge golven kunnen en de sleepnetten door de branding de grond niet raken. Dat maakt het veel lastiger om vis te vangen. Gelukkig was het weer dit jaar heerlijk.’

Veel variatie in vis

Het onderzoek vond plaats van iets ten zuiden van IJmuiden tot ongeveer halverwege Texel. Ook is er een dag in het Amsteldiep bemonsterd. Dat deden Ralf en zijn team vanaf het onderzoeksschip de Luctor van de Rijksrederij. Al was dat dit jaar wat moeilijker omdat het lastig is anderhalvemeter afstand te houden.

Strandbemonstering korren 2020
©Wageningen Marine Research

Wat opviel was het verschil in vissoorten op relatief kleine afstanden. ‘We hebben vanaf het strand gevist en in ondiepe kustzones. Wat we op de ene plek vingen, verschilde enorm van wat we honderd meter verderop tegenkwamen. Waarom is nog niet duidelijk. Er is zoveel natuurlijke variatie die we nog niet begrijpen, dat het effect van suppletie moeilijk te benoemen is. Het laat zien waarom het zo belangrijk is gegevens te blijven verzamelen.