Suppleties in de vooroever - Habitatmodel

Onderzoeker Peter Herman van Deltares vertelt meer over zijn onderzoek naar de effecten van suppleties in de vooroever, het habitatmodel. Hij onderzocht welk effect suppleties in de vooroever hebben op fauna die daar leeft. Als er zandkorrels van een andere grootte in de vooroever gebracht worden, verstoort dat dan het leven van de waterdieren? Hij vertelt over het onderzoek, het proces, en de resultaten.

Suppleties in de vooroever - Habitatmodel

(Kleine golven rollen een strand op waar een man komt aanlopen. Voice-over:)

RUSTIGE MUZIEK

VOICE-OVER: Peter Herman is senior onderzoeker bij Deltares.
Vertel eens, Peter, wat zien we hier achter jou?
PETER HERMAN: We zien hier de branding.
We kijken op het gebied, op de vooroever.
Dat is het gebied tussen het strand en het diepere water van de Noordzee.
In de vooroever liggen banken, brekerbanken worden die genoemd,
die ook langzaam bewegen.
In het ondiepe leven er minder, een beperkt aantal soorten,
en als je dieper gaat, en vooral in die zones tussen die banken,
dan wordt de fauna rijker, er komen meer soorten bij.
VOICE-OVER: Waarom leven er minder dieren in het ondiepe?
HERMAN: Je hebt de zone waar de golven breken,
waar het heel onstuimig is, waar het zand voortdurend in beweging is
en alleen de dieren die echt aangepast zijn
aan dat soort onstuimige omstandigheden, kunnen daar overleven.
VOICE-OVER: En wat voor dieren voelen zich daar dan wel thuis?
Daar zijn bijvoorbeeld kleine kreeftachtigen die heel goed kunnen zwemmen
en daardoor kunnen ontsnappen als de verstoring van het zand te groot is.
Van deze vinden we er heel veel heel ondiep in de vooroever.
Maar er zijn ook bepaalde borstelwormen die daar leven
en die ook heel typisch zijn voor die brandingszone.
Dit is de Amerikaanse zwaardschede, dat is een invasieve soort.
Die is zeer dominant, op veel plekken in onze monsters
is tachtig procent van de hoeveelheid materialen die we vinden,
die Amerikaanse zwaardschede.
VOICE-OVER: En wat hebben jij en je team precies onderzocht?
HERMAN: Het onderzoek dat wij doen,
is gericht op het effect van vooroeversuppleties op de fauna.
Vooroeversuppleties, in tegenstelling tot strandsuppleties,
brengen het zand niet rechtstreeks naar het strand,
maar dumpen het zand op ongeveer zes meter diepte,
meestal tussen twee brekerbanken in.
Wat wij ons afvragen, is: wat doet zo'n verstoring van de habitat
met de bodemdieren die daar leven?
De directe effecten zijn dat je de fauna bedelft, en wat daar leeft, gaat dood,
omdat er te veel zand in één keer boven op hen komt en dat kunnen ze niet overleven.
We weten dat het dan één à twee jaar duurt meestal voor de fauna om terug te komen.
De snel zwemmende soorten komen snel terug.
De andere komen meestal als larven terug. Die larven moeten zich vestigen
en dat duurt een zekere tijd voor die zich ontwikkelen.
De fauna herstelt zich dus op een termijn van enkele jaren.
Maar wat we ook onderzoeken, is: heeft het effecten op de langere termijn?
Omdat we natuurlijk op de plekken waar gesuppleerd wordt,
komen we regelmatig terug, dus we bedelven telkens opnieuw.
En dan denken we vooral aan veranderingen in de korrelgrootte van het zand.
Als je nu zand van elders neemt en dat is veel grover dan het zand dat er ligt,
en je gebruikt dat voor de suppletie,
dan kan het zijn dat je na verloop van tijd het daar aanwezige zand grover maakt
en dat zou een effect kunnen hebben op de samenstelling van de gemeenschap.
VOICE-OVER: Interessant, zeg! Maar hoe onderzoek je dat dan?
HERMAN: Daar hebben we fysische modellen gebruikt om te berekenen
wat de invloed is van de golven en de stroming
op de samenstelling van het sediment,
waar verwachten we grof zand, waar verwachten we fijn zand?
En veranderen we dat met de suppletie?
VOICE-OVER: Kun je al iets vertellen over het resultaat op de vooroever?
HERMAN: Wat we zien,
is dat vooral in de overgang tussen fijn zand en iets grover zand,
dat daar de soorten zich snel aanpassen aan het type zand dat je hebt.
Dus er is een grote invloed van de korrelgrootte van het sediment.
Wat we daar zien, is dat een relatief kleine verschuiving
in de korrelgrootte van het zand toch best wel een aanzienlijke verschuiving
in de bodemdiergemeenschap kan veroorzaken.
We weten nu ongeveer waar we moeten kijken.
Het zit ergens in het midden van de vooroever.
En wat we nu nog verder uitzoeken, is of inderdaad door herhaaldelijk te suppleren,
je die veranderingen in korrelgrootte kunt veroorzaken,
die echt van belang zijn voor de fauna.
VOICE-OVER: Betekent dat dat dieren uit de vooroever verdwijnen?
HERMAN: Nee, dat betekent niet dat er dieren uit de vooroever gaan verdwijnen,
maar het betekent wel dat er een kans is
dat je een andere samenstelling van de fauna hebt.
En die andere samenstelling van de fauna is relevant,
omdat de vooroever een functie heeft als kraamkamer voor jonge vis
en die jonge vis leeft van de dieren die in de bodem leven.
Dus als je de samenstelling van de bodemfauna verandert,
dan kan dat ook implicaties hebben voor de functie die de vooroever heeft
als kraamkamer voor die jonge vis.
VOICE-OVER: Moeten we dan stoppen met suppleren?
HERMAN: We suppleren voor goede redenen natuurlijk.
Er is een groot belang bij het handhaven van de kust,
en zeker met de verwachte zeespiegelstijging.
Maar we kunnen proberen om zo zorgvuldig mogelijk met die suppleties om te gaan.
Dus niet suppleren waar het niet nodig is.
Maar ook als het wel nodig is, om dan te proberen zand te selecteren
dat zo dicht mogelijk komt qua samenstelling bij het zand dat er al is.

(Het beeld wordt groen met wit. Beeldtekst: Meer informatie? Kijk op natuurlijkveilig.nl.)

VREDIGE MUZIEK DIE WEGEBT

(Naast de tekst staan de logo's van: Rijkswaterstaat, ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Staatsbosbeheer, Duinbehoud, LandschappenNL, Natuurmonumenten, PWN, Waternet, waterschap Amstel, Gooi en Vecht, gemeente Amsterdam, Dunea, Duin & Water, Stichting De Noordzee, Vogelbescherming Nederland en Waddenvereniging.)

(Beeldtekst: Een productie van Rijkswaterstaat. Copyright 2020.)