Tussenrapport Natuurlijk Veilig Landschapsvormende processen

Dit rapport presenteert de resultaten van het onderdeel ‘Duinen’ binnen het programma Natuurlijk Veilig. Centraal in dit onderzoek staat de vraag of, en zo ja hoe, het mogelijk is om door middel van variatie in de uitvoering van suppleties en het zeereepbeheer de diversiteit van kustduinlandschappen te vergroten. In het onderzoek wordt het effect van suppleren, via morfologische en ecologische processen, op de ontwikkeling van het kustduingebied onderzocht. Tevens wordt nagegaan welk type zeereepbeheer bijdraagt aan het doorstuiven naar het achterliggende duingebied en welke processen hierin sturend zijn.

In Natuurlijk Veilig wordt, net als in EGS I, de dynamiek en doorstuiving van de zeereep gecategoriseerd in zogenoemde ‘responstypen’. Binnen deze responstypen wordt de overstuivingsgradiënt van Type 1 naar Type 5 steeds uitgestrekter in de kustdwarse richting, met een steeds grotere beïnvloeding van de achter de zeereep liggende duinen. De responstypen zijn voor de Nederlandse kust geïdentificeerd m.b.v. luchtfoto’s, hoogtekaarten en hoogteverschilkaarten (o.b.v. laseraltimetriegegevens). Tevens is langs de gehele Nederlandse kust per Jarkusraai het zandbudget bepaald voor de volledige periode 1965- 2017. Hierbij zijn trendbreuken geïdentificeerd met het oog op veranderingen in het beheer (conventioneel versus dynamisch zeereepbeheer) en autonome ontwikkeling.

Het volume van de zeereep is toegenomen in vrijwel alle kustvakken én perioden (1997- 2008, 2008-2013 en 2013-2017). Fluctuaties in het zandvolume van de intergetijdezone en de zeereep zijn groter dan die van de vooroever. Er wordt een lichte toename in dynamiek in de zeereep geobserveerd langs de Nederlandse kust, welke vooral wordt veroorzaakt door een toename in dynamiek aan de voorzijde en top van de zeereep. Het aandeel van responstypen 4 en 5 (matig en hoge doorstuiving) neemt nauwelijks toe over de tijd. Op meerdere locaties langs de Nederlandse kust neemt de dynamiek van de zeereep toe, op andere locaties af. Mogelijk doordat kerven en stuifkuilen met de tijd ook weer dichtgroeien.

Vanaf de jaren ’90 neemt het volume van vooroeversuppleties langs de Nederlandse kust sterk toe. Met het toenemen van het suppletievolume (strand -en vooroeversuppleties) neemt ook het duinvolume toe. Dit ondersteunt de hypothese dat de toename van het volume in de zeereep (deels) veroorzaakt wordt door het uitvoeren van suppleties. Er is geen verschil gevonden tussen het effect van vooroeversuppleties en strandsuppleties. Hoewel de hypothese is dat suppleties een positief effect hebben op aanzanding vóór en op de zeereep (responstypen 2 en 3) en een negatief effect hebben op doorstuiving (responstypen 4 en 5), laten de resultaten het tegenovergestelde beeld zien. Op plaatsen waar gesuppleerd wordt (zowel strand- en duinsuppleties als geulwand- en vooroeversuppleties) neemt het aandeel in responstypen 4 en 5 toe, ten koste van het aandeel responstypen 2 en 3.

Naast suppleties is zeereepbeheer een van de mogelijke stuurknoppen voor veranderingen in duinvolume en mate van doorstuiving. Vanaf 1990 is het aandeel van dynamisch duinbeheer langs de Nederlandse kust gestegen van 11% in 1990 tot 51% in 2017. Het was de verwachting dat zeereepbeheer vooral invloed heeft op de mate van dynamiek, en niet op veranderingen in het volume. Doordat suppletievolumes en beheertypen niet onafhankelijk

zijn lijkt er op het eerste gezicht een relatie te zijn tussen het toegepaste beheertype en duinvolumeveranderingen. Het is echter aannemelijk dat de suppleties aan de kust de drijvende factor zijn achter de geobserveerde volume veranderingen. Zoals verwacht is er een verband gevonden tussen zeereepbeheer en de mate van dynamiek in de zeereep. Vooral het responstype 5 (sterke mate van doorstuiving) lijkt alleen voor te komen op locaties waar sprake is van dynamisch zeereepbeheer. Dit resultaat suggereert dat dynamisch zeereepbeheer effect heeft.

Concluderend, wijzen de resultaten erop dat suppleties een sterk positief verband vertonen met het volume van de zeereep. Zeereepbeheer correleert sterk met de mate van dynamiek in de zeereep. Dit komt overeen met de hypothesen. De correlaties tussen suppleties en dynamiek in de zeereep, en tussen zeereepbeheer en volumeveranderingen zijn minder uitgesproken.

Hoewel de effecten van suppleties (of kustzonebeheer) en zeereepbeheer op de zeereep in dit rapport apart worden onderzocht, zijn deze stuurknoppen moeilijk los van elkaar te beoordelen. Ze beïnvloeden elkaar namelijk niet alleen via fysische processen, maar ook via uitvoering van beheer en beleid. Daarnaast verschilt de relatie tussen de stuurknoppen en het volume en dynamiek in de zeereep per kustvak. Het is dan ook onze aanbeveling om in vervolgonderzoek de effecten van suppleties en beheer op de zeereep verder te ontrafelen door het uitvoeren van aanvullende statistische analyses, en door het inzoomen op een aantal kleinere gebieden. Ook verdient het de aanbeveling om het corrigeren van fouten in hoogtedata door vegetatie te verbeteren. Hiervoor kan o.b.v. satellietdata de vegetatiegrenzen in kaart worden gebracht, waarna het oppervlak met struikgewas (waar de grootste fout van wordt verwacht) kan worden uitgesloten van de analyses.